![]()
|
Mijn priester ! Het lijk zal in een graf gelegd worden, bedekt en vergeten. Dochter van Egypte, heb Mijn Vrede. Ik heb je in het land van de levenden geplaatst. Kijk Mij aan en heb vertrouwen in Mijn Liefde en de Vriendschap die Ik voor je koester. Doe Mij niet schreien van smart, want hoe zou Ik je ooit verlaten ? Maar de Boze probeert wanhopig de rijkdommen, die Ikzelf je gegeven heb, te roven. Ik heb je uit het graf gehaald, en hij wil je weer daarin begraven. Dochter, vertrouw op Mij, Ik zal je niet verweesd achterlaten. Ik garandeer je, dochter, dat Ik je nooit in de steek zal laten ! Aanhoor Mij, wees ervan verzekerd dat je je adem niet hebt verspild. 1 Je bent zo, zo zwak en machteloos, en ach! hoe kan Mijn Geest vrij in je ademen! Fluisterend in echo's laat Ik Mijn Woorden aan je oor trillen, die je in Mijn Bijeenkomsten moet doorgeven. Waarom, ziel, ben je zo onwetend en volkomen machteloos voor alles wat Kennis en Wijsheid is ? Dus hoe zou jouw geest dat alles kunnen begrijpen, tenzij de Geest, die door jou spreekt, de Mijne is ? Vassula... 2 je bent Mij zo buitengewoon kostbaar... Luister, Mijn kind, er is een Engel aan je zijde om medelijden met je te hebben, je te troosten en voor je te bidden. Wacht, Ik heb nog meer te zeggen. Ik ken je verbazingwekkende zwakheid, daarom zal Ik deze zwakheid gebruiken om Mijn volk tot Eenheid te bewegen en hun te laten zien hoe Ik, de Heer, Mij door hun achteloosheid voel. Ik zal hun laten zien wat door Mij het meest verlangd wordt. Ik zal hun in jouw zwakheid laten zien wat Ik denk over het onderscheid dat zij onder elkaar hebben geschapen. Vertel Mij, zijn jullie niet allemaal gelijk, geschapen door Mijn Eigen Handen ? Ja, Heer. Wie is er niet geschapen naar Mijn Beeld en gelijkenis ? Niemand, Heer ! Waarom wordt U door hun manier van denken zo geraakt, mijn Heer ? Omdat de menselijke trots zo laag is. De Beker van Mijn Vader is gevuld met Zijn Gerechtigheid. Vanwege hun starheid blijven ze onbewoond! Velen van hen praten over eenheid en broederlijkheid, maar hun woorden zijn bedrieglijk, leeg. Bewijst jezelf in de Ogen van jullie Schepper door te buigen. Bewijst jezelf in de Ogen van jullie Schepper door de datum van Pasen uniform te maken. Bewijst jezelf tegenover Mij door samen het brood te breken. Bekleedt je met waardigheid en verhevenheid, met nederigheid en niet met een uiterlijke schijn van godsdienst en vroomheid. Hebt berouw ! Eens leefden jullie in nederigheid, eenvoud en onbegrensde liefde. En jullie tafel was rijkelijk van voedsel voorzien. Ja, de grootheid van Mijn Kerk overtrof alles en ieder levend schepsel, omdat de Eucharistie het Leven van Mijn Kerk uitmaakte. Als het Mijn Kerk vandaag ontbreekt aan glans, komt dat omdat veel van Mijn kerken Mijn Eeuwigdurend Offer hebben afgeschaft. 3 Kan men door deze overschaduwende duisternis kijken en beweren te zien? Kan men zich erop beroemen aan hinderlagen te zijn ontsnapt in deze duisternis ? Maar zolang jullie zeggen : "we zien", blijft jullie schuld! Ik heb gezegd dat er nog andere schapen zijn, die Ik heb, die niet van de ene schaapsstal zijn, maar die Ik ook moet leiden. Maar nauwelijks heb Ik een dwalend schaap teruggebracht naar de kudde, om een Waar Leven in Mij te leiden, amper heb Ik het 't juiste zicht teruggegeven, of jullie vallen het aan om 't het Koninkrijk van de Hemel te ontnemen. Zou een duivel de ogen van een blinde kunnen openen ? Zou hij hem kunnen doen uitroepen "Abba?!" Tenzij jullie berouw hebben, zal de Hand van Mijn Vader op jullie neerkomen. Ik kan Zijn Hand niet langer ervan weerhouden neer te komen. Tenzij ieder van jullie van harte zijn broeder vergeeft, zal de Hand van Mijn Vader sneller neerkomen dan jullie denken. 1 De Verleider was naar mij gekomen, zeggend dat ik niet genoeg deed voor de Heer en dat al mijn bijeenkomsten in Engeland en Ierland een totaal "fiasco" waren. Dat alle woorden, die ik tot hen gezegd had, tevergeefs waren. Ik raakte in paniek en dacht dat de Heer mij de rug had toegekeerd. 2 Jezus sprak mijn naam bijna als een fluistering uit. 3 Voorzegd door de profeet Daniël, 11, 31 |