![]()
5 januari 1988
|
Toen ik de passage over het doodliggende Rusland herlas, schreide ik weer bittere tranen.
Ik bemin haar, Heer. Ik voel medelijden met haar. Ik bemin haar. Bemin haar zoals Ik haar bemin; ze is ook Mijn dochter - jouw zuster. Heer, zult U naar haar toegaan en haar doen opstaan ? Zal zij naar U terugkeren, Heer ?
Mijn God, zei U dat U Uw Boodschap van de vierde zult voortzetten? Ik zal doorgaan. Toen Rusland afhankelijk werd van Satan, omdat haar land onvruchtbaar was, bood hij haar de dodelijke vrucht aan, die hij in voorraad houdt voor hen die Ik bemin. Het doodt in etappen - hoe meer men ervan eet, hoe meer behoefte men eraan heeft. Het is dodelijk - het doodt langzaam. Heer, ik maak me zorgen omdat U mij vroeg Uw kinderen van Garabandal te zegenen en hen te doen weten over Uw Boodschap. O Heer, en nu nog Rusland, en U geeft mij aldoor te verstaan dat ik Uw dienaar, Johannes-Paulus, deze Boodschap moet overhandigen, en ik heb van dat alles NIETS gedaan ! Uw Woord is op mij, en het is zwaar te dragen... Zeg het nu. Ik wilde zeggen... helemaal alleen. Vergeef mij. 1 Vassula, Ik draag het met jou; Ik deel Mijn Kruis met jou; Vassula, Ik vergeef je. 1 Ik voelde mij beschaamd, maar omdat Hij de Waarheid is vroeg Hij mij om de zin af te maken. |