![]()
22 oktober 1987
|
In de ochtend, om half drie, werd ik wakker van de dorst met een droge mond en lippen, zo droog als perkament. Jezus zei tegen mij: "Sta nu op en drink, de twee dagen zijn voorbij". Ik ging wat water drinken, niet veel, want ik kon het niet verdragen. Deze ochtend verlangde mijn ziel naar Hem met onvoorstelbare droefheid. Waarom heeft Hij mij gewekt, om mij het voorrecht te ontzeggen bij diegenen te zijn die in Zijn huis leven? Als ze hun voorrecht eens kenden! En ik, door het verlangen in mij te leggen maar mij te verhinderen binnen te gaan en door Zijn Vrede omsloten te worden, moet in plaats daarvan in ballingschap leven en in verleiding komen. O dochter! Gezegende van Mijn Ziel, gezegende van Mijn Hart; ook uit Mijn binnenste stroomt de pijn, Jezus laat niet toe dat hun tong klanken voortbrengt als het tot schandelijkheden komt.
Zullen ze het ooit leren, Heer?
Maar Heer, U zegt "vooropgesteld", dat betekent dat er zullen zijn die niet luisteren. Tot Mijn grote droefheid zullen er zijn die hun oren zullen sluiten! Zij die weigeren te luisteren, zullen deze keer niet gespaard worden. |