|
Kleintje, Ik tref maar zelden trouw aan in de mensen. Ik wil je waarschuwen tegen de zwakheid van de mensen, namelijk de ontrouw. Ik bemin je en Ik zal je steunen, wetend hoe zwak je bent. Sta Mij toe, bloem, je te kussen.
Ik leunde over naar God en Hij kuste mij op mijn voorhoofd, mij, Zijn kind.
Ik bemin je; Ik heb je geheiligd; Ik heb je bevrijd. Kom, Ik en jij, jij en Ik, wij, ons; eer Mij door Mij vurig te beminnen.
Ik bemin U, Heilige Vader. Mag ik Uw Handen kussen?
Doe dat altijd, dochter.
Ik kuste Zijn Polsen.
|