![]()
23 oktober 1986
|
Vassula, welk huis heeft je het meest nodig? Ik wil dat je kiest. Jezus, als U me vraagt welk huis voor mij belangrijker is, het Uwe of het mijne, zeg ik natuurlijk het Uwe. En als ik moet kiezen, kies ik Uw Huis. Jezus leek zo blij! Zeg nog eens Uw Naam? Ja, ik wil voor U werken. Ik stemde ermee in zonder echt te beseffen wat het inhoudt voor God te werken. Daar ik God bemin, wilde ik Hem vreugde bereiden. Ik dacht niet aan mijn onvermogen. Een maand lang heeft Jezus mij beelden gegeven van Zijn Kruis. Waarheen ik mijn hoofd ook wendde en in welke richting ik ook keek, altijd stond daar een enorm, donker Kruis. Als ik onder de maaltijd mijn ogen opsloeg, was er dat enorme Kruis. Als ik vanuit mijn muskietennet keek, weer dat Kruis. Als ik naar een andere kamer liep om er te gaan zitten of iets dergelijks, volgde het Kruis mij, en het was er. Een maand lang leek het erop dat het mij achtervolgde. Daarna begon iets anders mij te obsederen: dat alles wat er gebeurde misschien niet van God was. Maar als het van de duivel is, hoe kan hij dan zo dom zijn? Ik begon bang te worden voor wat de mensen over dit alles zouden zeggen. Wat zal er met me gebeuren? Ze zullen me uitlachen! Ik was wantrouwig. Jezus, wanneer hebt U mij voor het eerst geroepen? Ja, ik herinner het me. Ik was heel bang; ik zal ongeveer tien jaar oud geweest zijn. Ik was geschrokken door de Kracht die aan mij trok. Het voelde aan als een sterke stroom, als een magneet die een kleine magneet aantrekt. Ik probeerde mij te verzetten en mij los te rukken, maar kon het niet; ik voelde mij helemaal tegen U aangedrukt, en toen werd ik wakker. |